Word lid
Defensie heeft in het verleden lange tijd een regeling voor Functioneel Leeftijdsontslag (FLO) gehad voor haar burgerlijke ambtenaren, ook wel in de volksmond de VUT-regeling genoemd. In 2007 is deze regeling stopgezet en is gelijktijdig een overgangsregime ingesteld. Dit overgangsregime geldt voor burgerambtenaren die op 1 januari 2006 waren geplaatst op een FLO-functie. Dit zijn specifiek aangewezen functies. (Voor alle duidelijkheid: deze regeling staat los van de UGM voor militairen of RVU voor burgerpersoneel met een ‘zwaar beroep’.)
In artikel 171a van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (BARD) zijn de betreffende FLO-functies opgenomen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen twee groepen. Deze twee functiegroepen worden aangeduid met het lid waarin deze zijn opgenomen in artikel 171a: lid 1 en lid 2. Op aanvraag wordt ontslag verleend als bedoeld in artikel 114, eerste lid, onder b van het BARD en bestaat aanspraak op een uitkering ingevolge het Besluit uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag burgerlijke ambtenaren defensie (hierna FLO-uitkering).
De FLO-uitkering wordt gefinancierd door werkgeversbijdragen en de inzet van ‘versterkt ouderdomspensioen’ dat de betrokken medewerkers vanaf 2006 hebben opgebouwd in de ABP-pensioenregeling. Het ‘versterkt ouderdomspensioen’ is het totaalbedrag van de individuele aanspraken op: (1) ouderdomspensioen dat voortvloeit uit het flexibel pensioen (FPU), (2) de extra inkoop ouderdomspensioen en (3) de extra opbouw ouderdomspensioen vanaf 2006.
Wat is er nu aan de hand? Vanaf 1 januari 2027 (beoogd) geldt voor alle defensiemedewerkers een nieuwe pensioenregeling op basis van het nieuwe pensioenstelsel (Wet toekomst pensioenen). In het nieuwe pensioenstelsel worden de huidige pensioenaanspraken voor alle deelnemers omgezet in een pensioenvermogen in de nieuwe pensioenregeling.
Door deze omzetting van pensioenaanspraken in pensioenvermogen, kan ABP niet langer bepalen hoeveel versterkt ouderdomspensioen de betrokken FLO-deelnemer heeft opgebouwd en in toekomstige jaren nog zal opbouwen.
Dit betekent dat vanaf 2027 niet langer kan worden vastgesteld welk deel van de FLO-uitkeringen door de betrokkene kan worden gefinancierd op basis van het versterkt OP. Daarom zijn wijzigingen in de regeling nodig, die gelden voor de medewerkers die vanaf 2027 nog kunnen instromen in de FLO-regeling.
Over de volgende onderwerpen hebben wij nieuwe afspraken gemaakt:
1. de wijze waarop de eigen bijdrage van de FLO-deelnemers wordt vastgesteld;
2. de hoogte van de werkgeversbijdrage;
3. hoe wordt omgegaan met lopende uitkeringen op 1 januari 2027;
4. welke pensioenopbouw geldt tijdens deelname aan de FLO-regeling.
Deze vier onderwerpen worden hieronder nader toegelicht.
Zoals hierboven toegelicht wordt de FLO-regeling gefinancierd door werkgeversbijdragen en de inzet van versterkt ouderdomspensioen (versterkt OP) door de betrokken medewerker. Hierbij geldt dat de omvang van het versterkt OP verschilt per individu, afhankelijk van het aantal pensioenjaren en het pensioengevend inkomen in die jaren. ABP stelt de omvang van het versterkt OP vast, en berekent hieruit welk deel van de FLO-uitkeringen door de deelnemers zelf kan worden gefinancierd. Het overige wordt gefinancierd door werkgeversbijdragen.
In de nieuwe pensioenregeling – die (beoogd) ingaat op 1 januari 2027 – kan ABP niet langer vaststellen wat de omvang van het versterkt OP is. Alle pensioenaanspraken die in de huidige pensioenregeling zijn opgebouwd worden namelijk omgezet in een pensioenvermogen, dat niet (langer) wordt uitgesplitst.
Er is besloten om uit te gaan van een vast veronderstelde werknemersbijdrage. Dit kan worden bereikt door in de FLO-regeling vanaf 2027 uit te gaan van een vaste werkgeversbijdrage, ongeacht of de betrokken deelnemer diens veronderstelde werknemersbijdrage inzet om de vaste werkgeversbijdrage aan te vullen in de FLO-periode. In de volgende paragraaf worden we concreter hoeveel dat dan kan zijn.
De vaste werkgeversbijdrage bedraagt 71% voor lid 1 en 65% voor lid 2. Na 60 maanden worden deze percentages verlaagd met 15%-punt (56% voor lid 1 en 50% voor lid 2).
Deze percentages zijn afgeleid uit de waargenomen bandbreedte van het versterkt OP dat is uitgedrukt als percentage van de bezoldiging onder huidige deelnemers van de regeling. De analyse is uitgegaan van een generieke waarde van het versterkt OP van 105%. Hiervoor geldt dat 80% van de werknemers die zijn beschouwd een hogere totale waarde krijgt, en 20% een lagere totale waarde. Dit leidt ertoe dat het aantal medewerkers dat in een minder gunstige situatie terechtkomt wordt beperkt, en er tegelijkertijd geen sprake is van aanzienlijke verruiming van de regeling – waardoor FLO-ers die zijn ingestroomd in de huidige regeling zich benadeeld kunnen voelen.
Wat wordt uw werknemersbijdrage? Als we uitgaan van een FLO-uitkering van 85% kunt u aan de hand van uw opgebouwde versterkt ouderdomspensioen voor lid 1 14% gedurende 7,5 jaar en voor lid 2 20% gedurende 5,25 jaar bijdragen, beide op 1 januari 2027. Of u uw werknemersbijdrage ook daadwerkelijk inzet, is uw keuze die gevraagd wordt voor aanvang van de regeling. Eenmaal gekozen blijft gekozen, u kunt dit gedurende de FLO-periode niet meer wijzigen.
Voor lopende uitkeringen op 1 januari 2027 geldt dat de hoogte van de uitkering en de verdeling in financiering hiervan bij ingang – vóór 1 januari 2027 – al is vastgesteld. Daarom zijn geen aanvullende besluiten nodig. Als enige uitzondering hierop gelden de deelnemers van lid 1, voor wie de FLO-uitkering op 1 januari 2027 nog volledig gefinancierd wordt door werkgeversbijdragen.
In de huidige uitvoeringspraktijk wordt voor deze deelnemers regelmatig berekend wanneer zij het kantelpunt bereiken waarbij de FLO-uitkering tot de AOW-leeftijd kan worden bekostigd met de waarde van het versterkt OP. Ervaring in de uitvoering leert dat het kantelmoment daarbij soms met een maand kan verschuiven als gevolg van de actualisatie van ruilfactoren in het pensioenreglement of indexaties van het pensioen of de FLO-grondslag. Berekeningen van het kantelpunt zijn vanaf 2027 niet meer mogelijk, omdat de aanspraken op versterkt OP dan zijn omgezet in een pensioenvermogen dat niet meer is uitgesplitst.
Besloten is om – voor deze specifieke groep van lopende uitkeringen – de duur van de FLO die kan worden bekostigd met de waarde van het versterkt OP vast te stellen net voorafgaand aan het moment van invaren op 1 januari 2027. Veiligheidshalve wordt deze periode vervolgens verminderd met 1 maand en vastgelegd in de administratie. Het kantelpunt, het moment waarop de werkgeversbijdragen eindigen, wordt vervolgens vastgesteld door de werkelijke AOW-leeftijd te verminderen met de vastgelegde periode in de administratie.
In de huidige regeling is de pensioenopbouw tijdens de FLO – vanaf 62-jarige leeftijd – gebaseerd op een zogenaamde meetelwaarde van 37,5%. In de huidige ABP-pensioenregeling bedraagt de pensioenopbouw in andere uitkeringssituaties wegens werkloosheid 50%. In het kader van consistentie en vereenvoudiging van de nieuwe regeling heeft ABP voorgesteld om de pensioenopbouw tijdens de FLO vanaf 2027 ook voor 50% voort te zetten. Besloten is om dit te volgen om de pensioenopbouw tijdens FLO te baseren op een meetelwaarde van 50%. Dit geldt voor nieuwe en bestaande deelnemers aan de FLO-regeling vanaf 2027.
Besloten is om de wijzigingen in de FLO-regeling per 1 januari 2027 vast te leggen in regelgeving. Hiermee wordt de grondslag in het BARD verplaatst en voor de FLO-uitkering een ministeriële regeling gemaakt, onder intrekking van het ‘Besluit uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag burgerlijke ambtenaren defensie’.