In het Arbeidsvoorwaardenakkoord 2024 is afgesproken dat er een Regeling Militaire Inzet (RMI) moest komen. Reden hiervoor is dat de bestaande regimes zoals de VROB en VVHO, niet meer voldoen in de huidige tijd. In januari 2026 zijn de vakbonden en Defensie met een meerderheidsbesluit de RMI overeengekomen. Dat het even heeft geduurd, komt vooral doordat de uitwerking van de ministeriële regeling meer voeten in aarde had dan op het eerste gezicht werd gedacht.

Wat hadden we u in het eerdergenoemde akkoord van 2024 toegezegd:

In de nieuwe RMI zullen heldere en eenduidige begripsbepalingen voor de volgende meerdaagse inzetvormen worden opgenomen:


1. Militaire inzet in het kader van operaties (RMI-1)

Hieronder wordt in ieder geval verstaan: feitelijke inzet onder gevechtsomstandigheden van snel inzetbare capaciteit in NAVO- of Europese Unie (EU)-verband ter bescherming van de belangen van de NAVO of EU, (vredes)operaties in internationaal of bondgenootschappelijk verband en als humanitaire operatie aangemerkte militaire inzet voor (nood)hulpverlenende taken buiten Nederland of andere door de Minister als operatie aangewezen militaire inzet buiten Nederland.


2. Militaire inzet in het buitenland (RMI-2)


Hieronder wordt in ieder geval verstaan: inzet samen met NAVO, EU of een ander internationaal verband in het kader van de internationale militaire samenwerking, het leveren van bijstand aan het Caraïbisch deel van Koninkrijk der Nederlanden en het leveren van bijstand en steunverlening aan één van de lidstaten van de EU onder meer waar het gaat om het handhaven of uitvoeren van EU-beleid.


3. Militaire inzet in Nederland (RMI-3)


Hieronder wordt in ieder geval verstaan: militaire steunverlening in het openbaar belang en maatschappelijke dienstverlening door Defensie aan derden binnen Nederland.

De vakbonden en Defensie hebben de nieuwe inzetvormen uitgewerkt, afgebakend en hieraan passende directe en indirecte voorzieningen gekoppeld. Hierbij zijn de zorg en uitzendbescherming belangrijke elementen. Deze voorzieningen zijn aangepast waar Defensie en de bonden gezamenlijk tot de conclusie kwamen dat dit nodig was. Ook zijn er nadere afspraken gemaakt over de vraag tussen welke rechtspositionele en financiële voorzieningen al dan niet (nog) samenloop mogelijk is. Defensie en de vakbonden hebben onvoorziene, ongewenste samenloop of stapeling van voorzieningen en financiële aanspraken voorkomen. Hierbij is van belang dat functionele werkzaamheden van militairen gekoppeld aan hun reguliere plaatsing in het binnen- of buitenland niet behoren tot het begrip militaire inzet.

Dit alles heeft geleid tot een regeling bestaand uit 16 artikelen, een aanpassing van de Regeling Vergoeding voor Overwerk, Onregelmatigheid, Beschikbaarheid en Bereikbaarheid (VROB) maar ook het verwijderen uit het AMAR, besluiten en onderliggende regelingen van het begrip Voorzieningen voor Vredes- en Humanitaire Operaties (VVHO).

We zullen u per hoofdonderwerp de nieuwe regeling uitleggen en zullen dit artikel afsluiten met wat er nog gedaan moet worden voordat u er ook iets van gaat merken als u ingezet gaat worden.

Aanvang, einde en duur inzet en bijbehorende financiële vergoeding

In grote lijnen kan gesteld worden dat de vergoedingen voor inzet als bedoeld in deze regeling in de plaats komen van de vergoedingen uit de VVHO en de vergoeding voor meerdaagse activiteiten (bijzondere inzet) uit de VROB. Er is evenwel een belangrijk verschil in de aanvang en het einde van de aanspraak. Waar in de VVHO een enigszins complexe bepaling staat, wordt nu door de minister in de aanwijzing voor de missie of operatie of andere vorm van inzet bepaald op welke datum de inzet aanvangt en op welke datum deze eindigt. Deze vereenvoudiging is onder meer bedoeld om een grotere duidelijkheid en zekerheid te scheppen voor het personeel, maar ook een bepaalde flexibiliteit in de regeling te bereiken. Om een aanspraak te ontlenen aan de regeling moet de inzet een aaneengesloten periode van langer dan een etmaal duren. Dit criterium bestond al en blijft bestaan.

Wat de hoogte van de vergoedingen betreft, is met het intrekken van de regeling VVHO ook de tegemoetkoming in de onkosten vervallen. Daarom is de vergoeding voor RMI-1 waarop die onkostenvergoeding betrekking zou hebben, extra verhoogd bovenop het in het arbeidsvoorwaardenakkoord ’21-’23 afgesproken bedrag. De vergoedingen zijn ook aangepast aan de reeds overeengekomen salarisverhogingen 2024 & 2025. Het voordeel van het opnemen van de onkostenvergoeding in de dagvergoeding is dat deze de toekomstige salarisverhogingen volgt (de vergoeding was al vele jaren niet geïndexeerd) en dat er ook premievrij voor 50% pensioen over wordt opgebouwd. Het nadeel is dat het invloed kan hebben op uw eventuele toeslagen. De vergoedingen per dag zijn:

a. € 250,- bij RMI-1;

b. € 200,- bij RMI-2;

c. € 150,- bij RMI-3.  

Huisvesting en voeding: Het uitgangspunt blijft dat de militair die is ingezet, geen voor diens rekening blijvende kosten heeft in relatie tot de huisvesting en voeding die is verbonden aan de inzet. Met andere woorden: vrije kost en inwoning tijdens inzet.

Waar dat niet mogelijk is, heeft de militair aanspraak op vergoeding van de in redelijkheid te maken of in redelijkheid gemaakte kosten, een en ander te beoordelen door Defensie. Dit is de uitzondering.

Recuperatie: Dit is een rustperiode tijdens de inzet. Recuperatie is geen verlof en er bestaat evenmin aanspraak op recuperatie. Of recuperatie kan plaatsvinden (en de duur ervan) is een operationele afweging van de Commandant der Strijdkrachten (CDS). Hij bepaalt in hoeverre, hoe lang, op welke wijze en waar de recuperatie plaatsvindt en treft voorzieningen voor vervoer, huisvesting en voeding. Alleen als de inzet langer duurt dan vier maanden kan recuperatie (als die plaatsvindt) op verzoek van de militair elders worden doorgebracht. Echter: er bestaat dan geen aanspraak op vergoeding van vervoer, huisvesting en voeding. Als de militair in zo’n geval verzoekt om de recuperatie in Nederland of in het land van plaatsing door te brengen en de inzet langer duurt dan zes maanden, dan komen de kosten van de retourreis voor rekening van Defensie. Bij een inzet van langer dan twaalf maanden kan de retourreis eenmaal per vier maanden voor rekening van Defensie plaatsvinden. In al deze gevallen bepaalt de CDS de duur van de recuperatie, waarbij als vuistregel een recuperatieduur van 2,5 dag per maand inzetduur zal worden gehanteerd (indien operationele omstandigheden dit mogelijk maken).

Verlof na afloop van de inzet: Na definitieve terugkeer in Nederland (of in het land van plaatsing) na afloop van de inzet buiten Nederland, heeft de militair aanspraak op vrijstelling van werkzaamheden en diensten van twee werkdagen voor elke maand dat de inzet heeft geduurd met een maximum van tien werkdagen per inzet. Dat betekent dat er bij een inzet van vijf maanden aanspraak bestaat op tien werkdagen vrij van dienst. Als de inzet zes maanden of langer heeft geduurd blijft dit tien werkdagen.

Inzetgratificatie: De militair die meerdere malen voor perioden van ten minste 30 aaneengesloten dagen is ingezet buiten Nederland, heeft telkens wanneer deze perioden cumulatief tot 365 dagen zijn opgelopen, aanspraak op een inzetgratificatie van €1.500,-.

Zorg voor, tijdens en na inzet: De CDS of de commandant van de ingezette eenheid als bedoeld in artikel 2, eerste of tweede lid van het Veteranenbesluit, zorgt ervoor dat de militair voor, tijdens en na inzet de zorg ontvangt als bedoeld in hoofdstuk 2 en 3 van het Veteranenbesluit. Dit is ongeacht of de militair aan de inzet de veteranenstatus ontleent of wordt aangemerkt als militair dienstslachtoffer in de zin van artikel 18 van het Veteranenbesluit.

Inzetvrije periode: De inzetvrije periode komt in de plaats van de tot nu toe gehanteerde ‘uitzendbescherming’ voor een uitzending onder de VVHO. De inzetvrije periode ziet op bescherming voor inzet buiten Nederland. Net zoals bij de ‘oude’ uitzendbescherming, gaat het voor de opbouw van de aanspraak om perioden van inzet van ten minste 30 dagen aaneengesloten. Telkens wanneer hierdoor in een tijdvak van 365 dagen cumulatief een aantal dagen inzet van 180 wordt bereikt, heeft de militair aanspraak op een periode waarbinnen hij in beginsel niet wordt ingezet maar alleen functionele werkzaamheden verricht. Deze 365 en 180 dagen zijn termijnen die bij de uitzendbescherming VVHO niet worden gehanteerd en dus nieuw zijn. In de onderstaande figuren zal worden verduidelijkt wat dit nu betekent. Deze inzetvrije periode bedraagt 60 dagen voor elke aaneengesloten periode van 30 dagen RMI-1 inzet en 15 dagen voor elke aaneengesloten periode van 30 dagen RMI-2 inzet. Deze inzetvrije periode wordt in beginsel direct aansluitend aan de inzet geëffectueerd, maar dit kan ook op een later tijdstip. Als er een later tijdstip wordt gekozen, dan wordt daarbij rekening gehouden met de voorkeur van de militair. De effectuering van de inzetvrije periode geschiedt in perioden van 30 dagen en zo mogelijk binnen de resterende plaatsingsduur bij het onderdeel. Indien de militair wederom voor een periode van ten minste 30 dagen aaneengesloten wordt ingezet vóórdat de aanspraak op een inzetvrije periode is geëffectueerd, wordt de dan ontstane aanspraak op een inzetvrije periode opgeteld bij de bestaande aanspraak en begint een nieuw tijdvak van 365 dagen te lopen, onder handhaving van de resterende aanspraak.

Hieronder zijn de mogelijkheden gevisualiseerd met een viertal voorbeelden, die de inzetvrije periode (aanspraak) dan wel de niet-ingezette periode weergeven. (Met niet-ingezette periode wordt bedoeld dat de militair weliswaar geen aanspraak heeft, maar wel hetzelfde doel bereikt, inzetvrij zijn). Voor de goede orde: deze voorbeelden zijn niet uitputtend.

 

Werk- en rusttijden: Gedurende de inzet zijn – voor zover dat voor een goede taakuitoefening nodig is – hoofdstuk 7 van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) en de bepalingen van de Arbeidstijdenwet niet van toepassing.

Verlof: In beginsel wordt tijdens de inzet geen verlof verleend aan de militair: geen vakantieverlof en ook geen buitengewoon verlof. Maar voor de omstandigheden die genoemd worden in artikel 87a van het AMAR, zoals ernstige ziekte, bevalling of overlijden van de partner van de militair, kan indien mogelijk wel buitengewoon verlof worden verleend.

Veteranenstatus en medailles: Of een militair aan een inzet de veteranenstatus ontleent, volgt rechtstreeks uit de Veteranenwet. Het is wel belangrijk te vermelden dat de huidige criteria of aan een inzet wel of niet deze status wordt verleend, niet is veranderd met de introductie van deze regeling. Medailles worden toegekend volgens de daarvoor geldende procedures en instellingsbesluiten.

 

Hoe nu verder?

Wat staat er nog open en wanneer wordt deze regeling van kracht? Tussen Defensie en de bonden is overeenstemming bereikt over de regeling zoals hierboven beschreven. Eerlijkheidshalve moeten we zeggen dat er nog wel enige tijd overheen zal gaan voordat het formele (wetgevings)traject is afgerond en om besluiten aangepast te krijgen. Wij, als VBM/BBTV, verwachten dat dit in de loop van 2026 een feit zal zijn.

Waar wij met Defensie nog nadere afspraken over moeten maken, zijn objectieve criteria om een specifieke inzet te kunnen categoriseren onder RMI-1, 2 of 3. Hierbij zal de moeilijkheid vooral liggen bij het vastleggen van het onderscheid tussen RMI-1 en RMI-2. Dit heeft voor ons nu prioriteit. We willen dit met Defensie helder krijgen vóórdat de bovengenoemde wetgevingsprocedure is afgerond en de RMI in werking treedt.

Tags