Word lid
Enige tijd geleden diende de Minister van Defensie het Wetsvoorstel op de defensiegereedheid (WODG) in bij de Afdeling advisering van de Raad van State (RvS). De regering is volgens de wet verplicht om aan de Afdeling advisering advies aan te vragen over onder andere wetsvoorstellen en algemene maatregelen van bestuur, die de regering naar de Staten-Generaal (Tweede en Eerste Kamer) stuurt.
Met het wetsvoorstel wil de regering een kader bieden voor het proces van gereedstelling van de krijgsmacht. Het wetsvoorstel beoogt een aantal wettelijke belemmeringen weg te nemen voor activiteiten van de krijgsmacht en bevat onder andere bijzonder bepalingen over het personeel. Bij dit laatste is het natuurlijk belangrijk om te zorgen dat de beoogde inbreuken van de Minister op de rechtspositie van de militair en burgermedewerker bij Defensie, tot een minimum worden beperkt. Als vakbond vinden wij dat de huidige Wet ambtenaren defensie (WAD) hiervoor al voldoende ruimte biedt.
Op het gebied van het personeel stelt de RvS: heroverweeg de voorgestelde aanpassing in de Wet ambtenaren defensie. Deze geeft de Minister de bevoegdheid om ook buiten noodsituaties tijdelijk van personeelsregelingen (zoals verlof en werktijden) af te wijken. De noodzaak voor deze ingrijpende bevoegdheid wordt volgens de RvS onvoldoende gemotiveerd.
De Raad van State (RvS) bespreekt de positie van de vakbonden (in het advies 'vakorganisaties' genoemd) specifiek in de context van de voorgestelde wijziging van de Wet ambtenaren defensie.
Het wetsvoorstel geeft de Minister van Defensie de bevoegdheid om tijdelijk af te wijken van allerlei arbeidsrechtelijke en rechtspositionele regelingen (zoals verlof en werktijden), waaronder ook de regels rondom medezeggenschap en overleg met vakorganisaties van overheidspersoneel. De minister zou deze bevoegdheid mogen inzetten zodra de 'goede voortgang van de gereedstelling' in het geding komt, dus ook als er géén sprake is van een buitengewone noodsituatie.
De RvS komt op voor de positie van de vakbonden door de volgende punten te benadrukken:
Het recht op collectief onderhandelen: de RvS stelt klip-en-klaar dat overleg met vakorganisaties, op grond van het fundamentele recht op collectief onderhandelen, zo veel mogelijk moet worden toegepast.
Overleg desnoods achteraf: zelfs als er sprake is van een erg urgente situatie waarbij direct moet worden ingegrepen, is het volgens de RvS denkbaar dat het overleg met de vakbonden simpelweg plaatsvindt nádat de maatregel is ingevoerd. Het volledig passeren van de vakbonden is dus niet zomaar te rechtvaardigen.
Draagvlak is essentieel: het afwijken van personeelsregels kan zeer ingrijpende gevolgen hebben voor defensieambtenaren. Omdat de effectiviteit van de gereedstelling juist sterk afhankelijk is van een breed draagvlak, vindt de RvS dat een goede motivering voor het opzijschuiven van de vakbonden en medezeggenschap ontbreekt.
Vanwege deze zwaarwegende bezwaren adviseert de RvS de regering om dit voorgestelde artikel, waarmee de bevoegdheden van onder andere de vakbonden zomaar tijdelijk kunnen worden ingeperkt, nader te heroverwegen.
(Het advies van de Raad van State is te lezen op www.raadvanstate.nl).